In augustus 1903 ondernam Paul Signac zijn eerste reis naar Zwitserland. Hij vestigde zich in het kleine bergstadje Les Diablerets, gelegen in het Franssprekende deel van Suisse Romande, ten oosten van het Meer van Genève en ongeveer 15 kilometer ten zuidwesten van Gstaad. Als fervent zeiler, gewend aan de open horizon van de Middellandse Zee bij Saint-Tropez, vond Signac het besloten landschap van de Alpen aanvankelijk een uitdaging. Maar al snel zette hij zich over deze weerstand heen en verloor zich in studies met waterverf. Hij onderzocht de sterke perspectivische verschuivingen en de interactie tussen licht en donker op de gelaagde contouren van het landschap.
Op 22 november 1903 schreef de kunstenaar Charles Angrand een enthousiaste brief aan Signac: 'Je zegt dat je aan twee Diablerets werkt. Laat die magische kleuren maar knallen!'. Les Diablerets, l'Oldenhorn et le Bécabesson, geschilderd in datzelfde jaar, is een van de twee werken waarnaar Angrand in zijn brief verwijst. Het belang van deze compositie – en haar pendant – wordt onderstreept door de geschiedenis van eigendomsherkomst: beide werden afzonderlijk aangekocht door Signacs goede vriend en een van de meest invloedrijke voorstanders van het neo-impressionisme, Félix Fénéon.
In zijn correspondentie met Fénéon na de aankoop van het tweede Diablerets-schilderij legde Signac uit dat hij bewust veel beschrijvende details van het landschap had opgeofferd – een benadering die eveneens duidelijk zichtbaar is in Les Diablerets, l’Oldenhorn et le Bécabesson. Door details welbewust achterwege te laten, kon Signac het doek verzadigen met kleur. Met weelderige, ritmische penseelstreken creëerde hij een sprankelende harmonie van blauw-, lavendel- en rozetinten. Deze kleurtinten vloeien over het beeldoppervlak en grenzen aan abstractie, terwijl ze de subtiele variaties van licht en schaduw vangen die het bergachtige terrein tot leven wekken.
PS Ontdek de mooiste pointillistische landschappen!