Deze gravure is een van de weinige prenten van Albrecht Dürer waarin zijn fascinatie voor hekserij expliciet aan bod komt. De wijdverspreide obsessie met heksen werd gevoed door teksten als De Heksenhamer, een gids voor heksenjachten geschreven door de Dominicaanse inquisiteurs Heinrich Kramer en Jacob Sprenger. Het werd voor het eerst gepubliceerd in Straatsburg in 1487 en werd herdrukt in Neurenberg in 1494 en 1496 door Anton Koberger. Men geloofde dat hekserij de natuurlijke orde ondermijnde. Dat vind je ook in de gravure terug. Het haar van de heks waait in de ene richting, terwijl de geit en de slepende draperie in tegenovergestelde richting bewegen. Deze omkering wordt nog eens benadrukt door Dürers beroemde AD-monogram, dat in dit werk ingenieus is omgedraaid.
In deze gravure rijdt de heks achterstevoren op een springende geit. De geit symboliseert lust en wordt vaak geassocieerd met de duivel. De toverkol is afgebeeld als een krijsende heks en houdt een van de hoorns van de geit in haar ene hand en een bezemsteel of spinrok in de andere. Haar wilde haren wapperen achter haar aan. Hagelstenen vallen van linksboven schuin naar beneden. Dit verwijst naar het geloof dat heksen stormen en andere vormen van onheil konden veroorzaken. Onder haar houden vier putti zich bezig met ondeugende activiteiten. Hun ineengestrengelde lichamen vormen een cirkelvormige compositie met de geit. Eén putto draagt een alchemistenpot, waarschijnlijk een ketel voor de toverspreuken van de heks. Een andere putto houdt een doornappelplant vast, bekend om zijn magische eigenschappen. Een derde toont zijn billen uitdagend aan de toeschouwer terwijl hij een wind laat en voegt zo wat oneerbiedigheid toe en krijgt de sinistere scène een vleugje humor.
PS Van oude zakkenvullers tot mooie verleidsters, de manier waarop heksen in de kunst werden voorgesteld weerspiegelt hoe de samenleving tegen hen aankeek en hoe deze perceptie in de loop van de geschiedenis veranderde. Een rondleiding door de geschiedenis van hekserij in de kunst!